JOHAN VAN GRINSVEN

De negentien

Drie houten gedenkplaten krijgen op 11 mei weer een prominente plek in Tilburg University. Na een tijd in een kelder en afgeschermd van de openbaarheid in een ruimte alleen voor geleerde dames en heren, komen ze om de hoek bij de aula te hangen, naast of boven medegrondlegger Martinus Cobbenhagen van de Katholieke Economische Hogeschool. Op die drie plaquettes staan de namen van negentien studenten van de voorloper van de huidige universiteit die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen. Ontijdig gestorven tijdens de invasie in 1940, verzetsacties, bombardementen, in concentratiekamp of tijdens dwangarbeid. Binnen de universiteit is een groot project gestart rond deze negentien en de weerslag die de oorlog had op de toenmalige studentengemeenschap in Tilburg. Als ik een neiging had tot zweven, dan zou ik schrijven: ’als onderdeel van een herbronning van Tilburg University’, maar dat doe ik dus niet. Het is niet louter een historisch project, de drijvende krachten erachter - van het Cobbenhagen Center in oprichting - gaan de huidige campusgemeenschap er bij betrekken. Ambitieus en groots is het project, dat onder meer moet uitmonden in een boek en een digitaal monument, vergelijkbaar met het digitaal Joods monument.

Jammer genoeg had Trouw de primeur van de herplaatsing van de gedenkplaten; gelukkig kon ik voor het Brabants Dagblad een compleet verhaal maken. Om dat te kunnen schrijven, kreeg ik onder meer een oud gedenkboek (In memoriam Fratrum) van de hogeschool in kopie ter beschikking. Dat is een in nu hoogdravend klinkende en archaïsche volzinnen verpakt eerbetoon aan de negentien jongemannen, omgekomen ’nog in de morgen van hun leven’.

Een strofe uit het voorwoord van het gedenkboek:
’Als wij naast elkaar zetten de uitspraak van Huizinga: „Men trekt niet uit om een held te zijn, maar om zijn plicht te doen” en hetgeen een ter dood veroordeelde in Scheveningen schreef: „Ik heb alleen maar gedaan wat ik doen moest, en ieder, die er meer over weet te zeggen, die bewijst, dat hij er niets van begrepen heeft”, dan kunnen wij vaststellen, dat het zeker zou strijden met de hoge mentaliteit van hen die ons ontvielen, als wij zouden meeschuiven in de rijen der van holle leuzen overstemde pelgrims, die met één pennestreek of met een reeks gedenkstenen een somber tijdperk van bezetting en misère, een tijdperk waarin zovelen het hoogste offerden dat zij bezaten, willen afsluiten en bezitten.’
image
Bij dit borstbeeld van Martinus Cobbenhagen komen de drie gedenkplaten, gemaakt door beeldhouwer Charles Vos, te hangen

image