BELGIË

Wie Gent doorkruist, ziet dan ook oude gebouwen in alle stadia van ontbinding. Het is het gevolg van winstbejag van speculanten, geldgebrek, gemis aan daadkracht van de overheid, of de ergste vorm van vandalisme: onverschilligheid.
Uit bijgaand artikel

HET DOORLEEFDE GEZICHT VAN GENT

Bezoeker moet Vlaamse stad veroveren

image
Gent is de derde stad van België, maar de allure en trots van een grote stad zijn er ver te zoeken. Sterker nog: een kleinere gemeente als Brugge pronkt als een pauw met haar smetteloos verzorgde historisch erfgoed. Terwijl er in Gent toch meer historische gebouwen staan dan in elke andere Belgische stad.

Niets tekent Gent meer dan die historie. Gent is een havenstad, een universiteitsstad, een bloemenstad en mede onder invloed van de befaamde, onbeschaamde Jan Hoet - baas van het Museum voor Hedendaagse Kunst en tijdelijk van het Documenta­kunstspektakel in het Duitse Kassel - is Gent ook een kunststad geworden. Maar dat alles staat in de schaduw van het dominante historische karakter van de Vlaamse stad. Gent probeert haar rijkdom uit het verleden dan ook met middeleeuwse trots in ere te houden.
De toeristische aantrekkingskracht van de stad zit voor velen vooral in de veelheid aan eeuwenoude gebouwen in 'de Kuip van Gent', het compacte oude stadscentrum. Daar is in de Sint Baafskathedraal het schilderij 'De aanbidding van het Lam Gods' van de gebroeders Van Eyck te bewonderen. Daar pronken in rij de torens van kathedraal, Belfort en Sint Niklaaskerk. Daar trekt het schizofrene stadhuis met een gotisch en een renaissance deel de aandacht, net als de statige gildehuizen uit de dertiende, zestiende, achttiende en vroeg­twintigste eeuw dat doen rond de oude binnenhaven. En er is een haast ontelbare hoeveelheid cafés te vinden; er zijn veel restaurants, de stad telt er zo'n 350. Daar is dus veel vertier voor mensen die een dag op een prettige wijze willen doorbrengen.
Maar daar speurt de bezoeker tevergeefs naar het geheim van Gent. De stad geeft zich niet zo snel gewonnen. Het vraagt enkele fikse wandelingen - ook buiten het centrum -, bezoeken aan eet­- en drinkhuizen, musea, galeries, het universiteitskwartier misschien.

Doorleefd
Gent is historie, maar het verleden is er nog niet zorgvuldig opgepoetst. Pas vijf procent van het erfgoed is echt toonbaar, de rest wacht een restauratie of renovatie of een simpele verfkwast. Het maakt Gent tot een onvoltooid stadslandschap, waar de bezoeker die gevoelig is voor de stelling 'schoonheid is te vinden in het oog van de kijker', zijn eigen ontdekkingen kan doen. Bovenal is Gent een stad met een doorleefd gezicht. Er is hard gewerkt. De industrie trok zware groeven in de stad. Verval en vernieuwing zorgden voor rimpels; grootheidswaanzin in bloeiende economische tijden voor kale plekken en prothesen in de vorm van foeilelijke kantoorgebouwen. Ook stinkt Gent uit haar mond: de samenkomende waterlopen Schelde en Leie, waaraan de stad haar naam Ganda (samenvloeiing) dankt, rieken soms als een vloeibare vuilnisbelt.
Pas sinds vijftien jaar wordt serieus werk gemaakt van het opknappen van de stad. Wie Gent doorkruist, ziet dan ook oude gebouwen in alle stadia van ontbinding. Het is het gevolg van winstbejag van speculanten, geldgebrek, gemis aan daadkracht van de overheid, of de ergste vorm van vandalisme: onverschilligheid. De bezoeker is geschokt: fraaie historische panden staan in hetzelfde blikveld als vervallen panden en moderne misbaksels. Maar er zijn ook eigentijdse gebouwen die laten zien dat nieuw niet altijd lelijk hoeft te zijn. Daar toont Gent dat het zich niet alleen ontwikkelt tegen de tijd in, maar ook met de tijd mee. Met het invoegen van deze nieuwe gebouwen onderstreept Gent zijn geschiedenis van verval èn vernieuwing. Daarmee onderscheidt de stad zich ook van bijvoorbeeld Brugge, dat haast een openluchtmuseum is geworden.

Patershol
Gent ontworstelt zich langzaam aan het imago van bezwaarde stad. De wijk Patershol, waar het middeleeuwse stratenplan nog altijd intact is, bloeit als nooit tevoren. Tot voor een dikke tien jaar woonde hier 'het laatste van de samenleving'. Nu zijn er sociale huurwoningen, de panden zijn opgeknapt, er zijn modieuze restaurants, cafés en winkels gekomen. De wijk is in trek bij Gentenaren en een trekpleister voor toeristen. Het is een blijk van de nieuwe beloften die in de oude stad besloten liggen. Toch ontkomt iemand die de stad wil doorgronden niet aan een voortdurende afwisseling van bewondering en verwondering. Neem het Klein Begijnhof aan de Lange Violettenstraat, een van de drie begijnhoven in de stad. Net over de rand van het centrum gevallen. En mede daardoor een onaardse oase van rust. Zes begijntjes wonen er nu nog in het grote, ommuurde complex, waar al sinds 1234 vrouwen een godsvruchtig leven doorbrengen. Het begijnhof biedt een bevroren beeld van een voorbije tijd; de rust rond het grasveld, de bomenrij, de net iets te imposante kerk, de kinderkopjes waar de voegen al jaren tussenuit gespoeld zijn. Maar vooral de tientallen leegstaande huisjes achter muren en kromgetrokken poortjes. Nu zijn duiven er de enige bewoners. Net als op veel andere plaatsen in de stad, droomt de beschouwer hier met gemak de verdwenen schoonheid van het gehavende complex terug, maar tegelijkertijd kan hij de ogen niet sluiten voor de nachtmerrie die verpaupering heet. De gemeentelijke Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie probeert sinds enkele jaren, met steeds meer succes, de verantwoordelijken voor dit soort taferelen een geweten te schoppen.
Het lijkt een tegenspraak, maar in die afwisseling van schoonheid en lelijkheid, van behouden historie en verval, ligt de diepere aantrekkingskracht van Gent. De stad kent extremen die haar spannend maken. En die verwachtingen scheppen voor de toekomst. Brugge mag dan een prentje van een oude stad zijn, Gent is als een prisma­kijker. Het beeld verandert voortdurend.

Kunst en bier
In de schaduw van die oude gebouwen verrast Gent ook op een andere manier. Bijvoorbeeld door het Museum voor Sierkunst aan de Jan Breydelstraat, een van de achttien musea die de stad telt. Dat heeft sinds mei een nieuwe aanbouw. Het oude deel staat bol van oude interieurstukken, onder meer uit de tijd van rococo, renaissance en barok. Indrukwekkend zeker, maar ook een weinig slaapverwekkend. Daarachter in een vleugel met toegepaste kunst - design heet dat tegenwoordig - spatten de felle zuurtjeskleuren van de Memphis­ontwerpen als neonreclames uit de lichte ruimten. Stofnesten worden hier binnen enkele seconden uit de geest gepoetst. Een feller contrast en grotere eenheid zijn nauwelijks denkbaar.
In een slaperige woonwijk buiten het centrum is café De Hopduvel verstopt in een anonieme huizenrij aan de Rokerelstraat. Meer dan tweehonderd verschillende soorten bier worden geschonken in dit café van Toon en Miek Denooze. Vooral de binnentuin valt op. Die is groot, groen en opvallend rustig. Een soort begijnhof voor bierdrinkers. Een groot verschil met de luidruchtige cafés in het centrum. De vele verlokkingen zijn verstopt in Gent. Ze zoeken is de moeite waard. Want niets is bevredigender voor een bezoeker, dan een stad veroveren die zich niet op een presenteerblaadje aanbiedt.
image
Gepubliceerd in o.a. Het Nieuwsblad, augustus 1992

Informatie: Nationaal Belgisch Verkeersbureau, Herengracht 435, 1017 BR Amsterdam, telefoon 020­6245953. De informatiebalie van de Dienst Toerisme in Gent is te vinden onder het stadhuis aan de Botermarkt, telefoon: 09­3291241555. Wat diepergravende informatie over de stad is er echter niet te vinden, daarvoor moet een boekhandel uitkomst bieden.
image
De Hel is gewoon een restaurant in Gent.
image
image