SPANJE

Twintig jaar lang hadden we hier nauwelijks geïnvesteerd, de toeristen kwamen toch wel. Toen we in het begin van de jaren negentig in een crisis terecht kwamen, moesten we wel iets doen. We zijn nu aantrekkelijker geworden voor onze gasten.
Diana Serop, Patronato Provincial de Turismo

DE OUDE MAN EN ZIJN MUILEZEL

Costa del Sol draagt striemen van het massatoerisme

Stacks Image 20764
De Spaanse Costa del Sol draagt de striemen van het massatoerisme. Marbella, Fuengirola, Torremolinos, het zijn plaatsen die iedereen kent. Of liever: denkt te kennen. Maar vooroordelen zijn zelden waar.

De walmende kustweg N340 van Málaga naar Nerja is druk, smal, bochtig en doorsnijdt het ene dorp na het andere, Torre del Mar, Torrox Costa en hoe ze allemaal ook heten. Het beeld blijft gelijk: hotels, appartementen­ en bungalowcomplexen, zee, stranden en een grillige kustlijn aan de ene kant en landerijen aan de andere zijde. Tenminste daar waar de uitlopers van de Sierra Almijara het toelaten.
Toerisme en landbouw, daarop drijft de economie in deze streek. Ooit werd Andalusië (dat twee keer groter is dan Nederland), waartoe de Costa del Sol behoort, 'het armenhuis van Spanje' genoemd. Maar vooral het toerisme heeft de levensstandaard naar een minder mensonterend peil gekrikt. Het achterland van de kust is ook hier - net als bij elke platgetreden Spaanse Costa - van een heel andere orde. Daar kan een gast al heel snel een waarachtiger Spanje proeven. Dat van Moren en Romeinen, van trotse Andalusiërs. Daar kan hij uren rondrijden en maar een handvol medetoeristen tegenkomen. Pas de vierde gast van de dag zijn in een lokaal museum. Daar valt plots de subtropische plantengroei op: oleanders, cipressen, palmbomen. En de restanten van zowel islamitische als christelijke overheersing.

Sinaasappelen
De Costa del Sol valt uiteen in twee delen, met Málaga als scharnierpunt. Het westelijke deel loopt van Málaga tot Estepona, zo'n honderd kilometer langs bekende plaatsen als Torremolinos, Fuengirola en Marbella. Hier is deze Costa het drukst. In oostelijke richting, de ongeveer 50 kilometer van Málaga tot Nerja, is het minder druk. Deze streek heet Axarquía en Vélez­-Málaga is er de belangrijkste stad. De rommelige plaats bewijst dat aan de oostelijke Costa del Sol niet alleen badplaatsen te vinden zijn. Badplaatsen overigens zonder de klassieke grandeur die dat woord oproept.
Wie naar Vélez­-Málaga rijdt, zijn auto parkeert en verloren rondloopt, ziet al snel de citroen-­ en sinaasappelbomen staan in de openbare plantsoenen en bouwvakkers die overal aan het werk zijn om adellijke huizen in oude glorie terug te brengen. Op veel plekken blinkt zo'n gerestaureerd pand naast een verkrot huis. De verlokkingen trekken weinig toeristen en zijn toch talrijk: de oude wijk El Arrabal de San Sebastián met een middeleeuws kasteel, de patio van het oude hospitaal van San Marcos, het San Francisco klooster in de vroegere joodse wijk, het paleisje dat nu stadhuis is. Wie op een heuvel boven de stad staat, ziet in de verte de zee en weet daar de stranden en de mensen.

Frigiliana
De vele - vaak Moorse - witte dorpen in het heuvelachtige binnenland zijn een bekender visitekaartje van de Costa del Sol dan Vélez­-Málaga. Frigiliana is een van die gehuchten die zo vaak in folders en op prentbriefkaarten voorkomen, dat je zou vergeten dat ze ook echt bestaan. Het ligt aan het einde van wat ooit een stille kronkelweg naar boven moet zijn geweest. Dat hier tegenwoordig veel toeristen komen, is snel duidelijk: bars, handwerkwinkels en restaurants verdringen elkaar.
Twee vrouwen witten de gevel van een huis. Dat is dan ook Frigiliana's aanspraak op eeuwige roem: witte huizen, schots­-en-­scheve smalle straatjes, hoogteverschillen, het Moorse verleden. Toeristen stappen uit, lopen een rondje, drinken wat op een terrasje en benen terug, want de bus wacht alweer.
Dit is zo'n dorp waar zo weinig te beleven valt, dat je er snel weg bent òf uren tussen de huizen ronddwaalt, zoekend naar een gestolen blik op een interieur, patio's, bloempotten, oleanders, bloementakjes voor een Madonna op een zwaar houten dressoir. Niet meer weg kunnen lopen van Plaza de la Iglesia, een klein kerkplein tegenover de San Antonio­kerk. Twee houten bankjes staan er; elf traditioneel gebouwde huizen omzomen het plein en omringen een marmeren miniatuurfontein. Ook al is elk huis anders, toch heerst hier evenwicht. Het gehucht won in 1982 en 1988 prijzen voor de restauratie van de oude wijk.
Een oude, gerafelde werkman loopt naast een muilezel. Het beest heeft aan zijn flanken rieten manden hangen met daarin kalk. Ze sjokken bijna synchroon naar een bouwwerk, dat ergens in dat steile, beklinkerde stratennetwerk van de oude wijk onbereikbaar ligt te zijn voor een vervoermiddel met wielen en een motor. Zo heeft traditie hier nog zijn nut. In de muren zijn tableaus gemetseld die verhalen van de lokale geschiedenis. Van de slag om Frigiliana in de zestiende eeuw bijvoorbeeld. Wie het Spaans niet machtig is, leest er toch de trots van de Frigilianen in.

Nerja
Maar al die landelijke dorpen zijn aangevuld met urbanisaties, jachthavens, golfterreinen, vermaakoorden, nachtclubs, discotheken of andere noodzakelijk geachte voorzieningen voor toeristen. Veel ongeschonden Spaans is aan de kust niet meer te vinden. Neem Nerja, zo'n 50 kilometer oostelijk van Málaga en de laatste halteplaats voordat de Costa del Sol overgaat in de Costa Tropical. 'Ze rijden er nog net niet links.' De zin is al door velen gebruikt om aan te geven hoe ver de Britse invloed hier reikt. De Britse toeristen hebben de badplaats tientallen jaren geleden ontdekt. Daarnaast verblijven naast de ongeveer 13.000 inwoners ook heel wat Britten hier (semi­-)permanent. Ze hebben eigen kranten en tijdschriften, eigen cafés, eigen boekhandels. De makelaar meldt zijn huizenprijzen in pesetas èn ponden.
Toch is Nerja meer dan alleen maar druk en toeristisch. Het heeft een gezellig oud stadscentrum dat teruggaat tot 1487. Op een vooruitstekende rots in de kust is het Balcón de Europa te vinden, eens stond op dit uitzichtpunt een fort. Nu nog een paar roestige kanonnen.
Nerja biedt ook een oud aquaduct, de visserswijk Maro, de San Salvadorkerk die geldt als een van die typische landelijke Arabische kerken, horeca in alle soorten en maten, de promenade Paseo de los Carabineros voert langs de rotskust van het ene naar het andere strand. De vissersboten liggen op de stranden naast de rieten windschermen die de tere toeristenvellen moeten beschermen.
En dan is er natuurlijk dé attractie van het plaatsje: de in 1959 ontdekte Cueva de Nerja. In deze 800 meter diepe grot vol kalkformaties zijn levenstekens gevonden van 25.000 tot 30.000 jaar geleden. Doordeweeks zijn de grot, de horeca en het terrein eromheen het domein van toeristen, in het weekeinde drommen de inheemsen er ook samen. Dan is het een fraai pandemonium van mannen met openstaande overhemden, kinderen in communiekleding, vrouwen in stemmig donker en baltsende pubers in universele kleding. De conversatie is uitbundig en vol gebaren.

Granada
Nerja heeft veel kwaliteiten, zo kan het dienen als uitvalsbasis voor bezoeken aan het onderschatte Málaga en aan het majestueuze Granada. Beide zijn binnen een uur te bereiken. Alleen al de tocht naar Granada is een beleving, eerst langs de grillige kust en dan door het afwisselende en bergachtige binnenland.
Halverwege de weg die vanaf de kust strak het binnenland in voert, is de afslag naar het plaatsje Lanjarón. Bij die afslag begint de autoroute van de Alpujarra Alta. Een tocht door de uitlopers van de Sierra Nevada, een klassieke bergweg vol haarspeldbochten, door heuvels die nergens hetzelfde van vorm en kleur zijn, langs kloven en dalen, een wit kerkhof in het niets, vele bochten verder pas een dorp, amandel-­ en fruitbomen, de lome rust in vergeten Moorse dorpjes die haast tegen de berghelling lijken te hangen, langs het hooggelegen Trévelez waar de befaamde gelijknamige ham vandaan komt; de route is een avontuur.
Wie eet tijdens een tocht door het binnenland gaat in een bar natuurlijk binnen zitten, waar het koel is en alle Spanjaarden ook aan de bar hangen. Alleen een dwaas gaat op het heetst van de dag buiten in de zon zitten, vinden ze hier. De Spaanse stamgast drinkt een paar biertjes, eet wat kleins en gaat weer. Naar huis, om nog even een uiltje te knappen en later weer te gaan werken.

Investeringen
De Costa del Sol kampte de laatste jaren met fors teruglopende bezoekersaantallen, vorig jaar met grote droogte ('de natuurramp van de eeuw') en nu weer met overvloedige regenval. Maar alles komt goed, zegt Diana Serop van het Patronato Provincial de Turismo. Meer dan twee miljard gulden werd in wegen, waterwerken, stranden en accommodaties gestoken. Het schijnt zich terug te betalen, want het aantal gasten neemt weer toe. „Twintig jaar lang hadden we hier nauwelijks geïnvesteerd, de toeristen kwamen toch wel. Toen we in het begin van de jaren negentig in een crisis terecht kwamen, moesten we wel iets doen. We zijn nu aantrekkelijker geworden voor onze gasten."
Met een auto (met openbaar vervoer is al een stuk moeilijker) ontstijgt elke bezoeker de - voor sommigen - beperkingen van de zon-­zee­-zand­-Costa del Sol. Maar zelfs wandelend komt de bezoeker een heel eind. Met het boekje 'Twelve walks around Nerja' van het Britse echtpaar Thomson in de hand ontstaat al lopend een heel ander beeld van deze massaal bezochte vakantiebestemming. Rustige paadjes, de schoonheid van een johannesbroodboom in het landschap en vooral de stilte. Dan lijkt het ondenkbaar dat even verderop honderdduizenden medegasten in de zon liggen te braden.

Recordjaar Costa del Sol


De Costa del Sol heeft vorig jaar een topjaar gehad op toeristisch gebied. Dat leidt het Spaans Bureau voor Vreemdelingenverkeer af aan het recordaantal passagiers dat de luchthaven van Málaga te verwerken kreeg (3.079.882) en dat vervolgens uitzwermde over de Costa del Sol. Dat aantal betekent een toename van 15,2% ten opzichte van 1994. Het aantal Nederlandse toeristen dat in 1995 een bezoek bracht aan deze kust is met 9% toegenomen, waarmee het totaal aantal Nederlandse vakantiegangers hier komt op 119.379.
Málaga wordt compleet onderschat. Toeristen gaan er gewoon aan voorbij. Ze komen hier aan op de luchthaven en verdwijnen meteen, om pas terug te komen als ze weer naar huis vliegen.
Diana Serop, Patronato Provincial de Turismo

KROEGENTOCHT OP Z’N SPAANS

Malaga wordt zwaar onderschat

Stacks Image 20787
De Zuid­-Spaanse stad Málaga is voor de meeste toeristen niet meer dan de in­- en uitstapplaats voor hun chartervlucht. Maar monumenten, fraaie kerken, lange winkelstraten en cafeetjes ­- tapas­bars -­ in alle soorten en maten maken van de havenstad meer dan alleen het voorportaal van de Costa del Sol.

Wie een snel overzicht wil hebben van wat de Zuid­-Spaanse havenstad Málaga te bieden heeft, kan natuurlijk kiezen voor een klassieke toeristenoptie: de rondrit per paardenrijtuig. En net als in alle andere toeristenoorden biedt zo'n klotsende rijtoer in kort bestek en in hapklare brokken de geijkte hoogtepunten van een stad. En dat natuurlijk tegen een stevige prijs. Maar vooruit, de eerste indruk is er.
Wie Málaga ­- en al die andere steden -­ beter wil leren kennen, neemt de benenwagen; hoewel zo'n rijtoer met paard natuurlijk bij kleine kinderen altijd in de smaak valt. Te voet opent een stad zich pas echt voor een bezoeker. Dan kunnen willekeurige patronen over de plattegrond worden getrokken, straat in, steeg uit, ook buiten de route die voor een paardenrijtuig moeilijk te bereiken is, of te veel tijd kost. Dan blijkt al snel dat Málaga weliswaar niet de mooiste stad van Spanje is, maar zeker meer te bieden heeft dan menigeen vermoedt.
Vorig jaar streken ruim drie miljoen toeristen neer op de luchthaven van Málaga (5% meer dan in 1995), de toegangspoort tot de Costa del Sol. En toch zijn badplaatsen als Torremolinos, Fuengirola en Marbella al heel lang bekender dan de provinciehoofdstad. „Málaga wordt compleet onderschat", zegt woordvoerster Diana Serop van het plaatselijke Patronato Provincial de Turismo de la Costa del Sol. „Toeristen gaan er gewoon aan voorbij. Ze komen hier aan op de luchthaven en verdwijnen meteen, om pas terug te komen als ze weer naar huis vliegen."
Serop steekt de hand ook in eigen boezem. „We hebben te weinig gedaan om Málaga te promoten. Omdat we dachten dat toeristen toch alleen naar de Costa del Sol kwamen voor de zon en het strand. Maar dat is aan het veranderen." De lokale toeristendiensten proberen daarom ook andere initiatieven uit. Een ervan is een hele aardige: in het aan de waterkant verankerde Málaga zijn enkele 'tapas­routes' uitgezet.
Een tapas­bar is in Spanje de gewoonste zaak van de wereld; bijna op elke spreekwoordelijke hoek van de straat te vinden. Het is een soort eetcafé; waarbij de eetwaren uitgestald liggen in vitrines op de bar. De gast vraagt om diverse gerechten (of wijst ze aan); vis in alle soorten en maten, worst, ham, olijven, brood, elke lekkerbek vindt er genoeg van zijn gading. Hij kan er een borrelhapje van maken of een complete lunch. Spanjaarden eten in de tapas­bar tussendoor een hapje, meestal tussen de middag ­- de drukste tijd is tussen 13.00 en 14.30 uur ­- of na werktijd. De sfeer is altijd relaxed, de prijzen alleszins acceptabel. In Málaga in ieder geval proberen: de boquerones, een lokaal visgerecht. Boquerones is ook de bijnaam van de Malagezen.

Bezienswaardigheden
Een tapas­bar is op z'n minst een voor de hand liggende tussenstop voor degenen die in Málaga aan de wandel zijn. En er de bezienswaardigheden bezoeken, zoals het ruim 900 jaar oude fort annex paleis Alcazaba (mooie patio's met tuinen), diverse musea, de Catedral waarvan de bouw in 1528 begon en duurde tot in de achttiende eeuw en dus een mengelmoes van stijlen werd, diverse andere kerken en palacio's.
De bezoeker treft in Málaga, ondanks dat er in de loop van de achterliggende eeuwen veel vernietigd is, nog sporen aan van de vele overheersers van de stad, waaronder Feniciërs, Romeinen en Arabieren. Juist omdat er zoveel verloren is gegaan, is Málaga nooit de toeristentrekker geweest als bijvoorbeeld Granada of Sevilla en zal dat ook wel nooit worden.
Maar wie de tapasroutes van de lokale VVV volgt (de folder heet: 'Rutas del Tapeo'), die brengt enkele aangename uren door in de drukke historische binnenstad. Druk, want Málaga is een stad waar wordt gewerkt. Het verkeer in de binnenstad ronkt en walmt de hele dag. Het lawaai is er onontkoombaar, maar niet echt hinderlijk. De decibellen zeggen vooral: dit is een dynamische stad.
Maar tegelijkertijd ziet de bezoeker overal inheemsen die zich even 'onthaasten', rustig op een terras hun koffie drinken. Het geeft Málaga ­- er wonen ruim een half miljoen mensen -­ een dubbel gezicht: ontspannen en druk tegelijk.

Calle Marqués de Larios
De negentiende­-eeuwse Calle Marqués de Larios is de belangrijkste winkelstraat van de stad. Daar is het zakelijke en commerciële hart te vinden. Bomvol winkels, warenhuizen, speciaalzaken; de lokale inkleuring is er niet zo groot. Dan is de Mercado Central, een grote overdekte markt aan de Calle Atarazanas, voor een toerist een grotere bezienswaardigheid. De geuren en kleuren zijn er opdringerig. Bonte reclameschilden lonken naar met boodschappentassen sjouwende vrouwen, overal starende vissenogen, glimmende bovenmaatse meloenen en sinaasappels, perziken en tomaten. De markt is één groot schouwspel, tegelijk handel en toneel.

Cante grande
Terug naar de tapas­bars. In de Calle Pastora is een fraai, stokoud exemplaar te vinden. De 'rekening' wordt er nog altijd met krijt op de toonbank geschreven, gewoon ter hoogte van de plek waar de gast staat. Wie een eigen lege fles meebrengt, kan die hier met wijn laten vullen. Het is er rommelig, rokerig, rumoerig, drukke gebaren begeleiden even drukke gesprekken. En het is nog maar net voorbij het middaguur.
Het tegenovergestelde van deze pijpenla is het ruime mesón El Chinitas aan de Pasaje Chinitas. Een beroemd eethuis, want hier is een speciaal soort flamencozang ontstaan, het cante grande. Hier hangt kunst aan de muur en poëzie. Maar blikvangers in het gerenommeerde restaurant zijn toch vooral de tientallen hammen die in slagorde boven de bar hangen. Hier prikken zakenlui hun vorkjes, de zaktelefoons natuurlijk op tafel.
Een gast hoeft niet overal uitgebreid te eten. Een biertje drinken kan ook, vaak zal de uitbater dan al een ­ gratis­ schaaltje tapas meeserveren. Wie een of meer routes volgt en zich overgeeft aan de doolhof van smalle straatjes rond de kathedraal, doorkruist automatisch het oude centrum van de stad. Er zijn vijf verschillende wandeltochten uitgestippeld, zoals de Route van de Bisschop, de Restaurantroute en de Route van Picasso.
De laatste is een logische keuze, want in Málaga staat aan het Plaza de la Merced ook het geboortehuis van Pablo Ruiz Picasso. Open voor publiek, maar zonder bijzondere collectie van zijn werk. Dat 'verzuim' wordt volgend jaar goedgemaakt: dan staat de opening van een heel wat prestigieuzer Picasso-museum op de rol in Málaga.
Niet alleen vanwege Picasso's geboortehuis is dit plein vermaard. Dit plein is het hart van een studentikoos aandoende wijk. Veel uitgaansgelegenheden, bioscopen en veel jongelui op straat. Of de omgeving van het plein nog altijd het jachtterrein is van prostituees, daarover verschillen de meningen. „In elk geval minder dan vroeger", bekennen de tegensprekers.
image
image